Oostende heeft altijd naar het water gekeken. De stad groeide als vissershaven, werd in de negentiende eeuw een geliefde badplaats van koningen en kunstenaars, en inspireerde James Ensor tot doeken vol maskers en zeelicht. Dat licht is er nog. Wie een receptie rond zonsondergang plant, krijgt boven het strand een schouwspel dat geen decorbouwer kan namaken.
Tegelijk is de zee geen stille gastheer. Op de dijk waait het bijna altijd, zand kruipt in elke hoek en zilte lucht slaat neer op glas en metaal. Daarom vertrekken we aan de kust van de windrichting: de achterklep van de Defender in de luwte, servetten die niet wegwaaien en flessen diep in de koeling tot vlak voor het schenken.
Het publiek is hier gemengd. Bedrijven uit de haven en de offshore-windsector ontvangen er klanten, families vieren een verjaardag in een villatuin achter de duinen en bruidsparen kiezen de zee als achtergrond voor hun foto's. Voor al die gezelschappen geldt dezelfde regel: hoe dichter bij het water, hoe belangrijker een goed plan voor weer en wind.