Het eerste wat je van Charleroi ziet, zijn de terrils: groene heuvels van mijnafval die boven de huizen uitsteken. Ze herinneren aan de tijd dat het Pays Noir een van de motoren van de Belgische industrie was, met mijnen langs de Samber, staalbedrijven en glasblazerijen. Veel van die sites liggen vandaag stil, maar hun hallen, schoorstenen en kaaien vormen een decor met een eerlijk, rauw karakter.
De stad heeft lang met een imago gesukkeld, maar dat beeld kantelt. Er kwamen stadsvernieuwing, street art en culturele plekken in oude gebouwen, en ondernemers ontdekken leegstaande hallen voor lanceringen, feesten en tentoonstellingen. Precies in zo'n ruimte doet een mobiele wijnbar wat een vaste bar niet kan: hij rijdt tot aan de poort en maakt van een lege vloer in één middag een ontmoetingsplek.
Buiten de ring verandert het decor volledig. Richting het zuiden maken de terrils plaats voor een groen, glooiend landschap met villa's, hoeves en ruime tuinen. Daar vinden privéfeesten en huwelijken de ruimte die in de dichte stad ontbreekt, en kan de Defender meestal zonder omwegen tot op het terrein rijden. Staal en groen liggen hier op tien minuten van elkaar.